Het bezittelijk voornaamwoord geeft een bezit aan. (Het geeft aan dat iets van iemand is). Een bezittelijk voornaamwoord gebruik je samen met een zelfstandig naamwoord.
Voorbeeld: Ik zoek MIJN jas. Jij zoekt JOUW jas. Hij zoekt ZIJN jas. Zij zoekt HAAR jas. U zoekt UW jas. Wij zoeken ONZE jassen. Jullie zoeken JULLIE jassen. Zij zoeken HUN jassen.
Ik haal mijn jas van de kapstok, maar hij laat zijn jas hangen.
Wat is(zijn) het bezittelijke voornaamwoord(en)?
Ik, hij
mijn, zijn
mijn
zijn
Ons huis staat naast haar boerderij.
Wat is(zijn) het bezittelijke voornaamwoord(en)?
Ons, haar
Ons
In deze zin staan geen bezittelijke voornaamwoorden.
haar
Hun tante vindt jullie trui mooier dan onze broek.Wat
is(zijn) het bezittelijke voornaamwoord(en)?
jullie, onze
hun, jullie
Hun, onze
Hun, jullie, onze
Uw hond kan niet zo goed opschieten met onze kat.Wat
is(zijn) het bezittelijke voornaamwoord(en)?
onze
Uw
Uw, onze
In deze zin zitten geen bezittelijke voornaamwoorden.
Ik wist niet dat ik vandaag jouw boek mee moest nemen.Wat
is(zijn) het bezittelijke voornaamwoord(en)?
Ik, jouw
jouw
ik
In deze zin zitten geen bezittelijke voornaamwoorden.