Haal de zelfstandige naamwoorden uit de volgende zinnen.
Zelfstandige naamwoorden gebruik je om mensen, dieren, planten en dingen mee aan te duiden. Je kunt er meestal de, het, of een voor zetten.
Voorbeeld:
kind - het kind - een kind
hond - de hond - een hond
bloem - de bloem - een bloem
plan - het plan - een plan
De woorden kind, hond, bloem en plan zijn dus zelfstandige naamwoorden.
Voorbeeld:
Mijn zus gaat elke avond naar haar vriend.
In deze zin zijn zus, avond en vriend de zelfstandige naamwoorden; je kunt er
de, het, of
een voorzetten. (De zus, de avond, de vriend)
Let op:
Ook namen van personen, plaatsen, landen, bedrijven etc. zijn zelfstandige naamwoorden.
Voorbeeld:
Janine haalt elke
avond boodschappen bij
de Super.
In de bovenstaande zin zijn de schuingedrukte woorden zelfstandige naamwoorden.