BB4 Blok 2 Periode 6 SO Spelling

maak de toets; denk aan de 50 seconden per vraag



Naam:


Klas


Datum Cijfer





1. Schrijf het werkwoord op in de verleden tijd.
1 De kinderen het hele eind naar school.
2 De treinreizigers (zwaaien) naar hun familieleden op het perron.
3 De leerlingen (zuchten) toen zij het proefwerk onder ogen kregen.
4 Paul (missen) op een haar na zijn bus.
5 Het (misten) de hele avond.
6 De bal (raken) de doelpaal.
7 Wij (lachen) om de malle fratsen van het kleine aapje.
8 De familie Esmer (verhuizen) naar Amsterdam.
9 De criminelen (beroven) het benzinestation.
10 Mimoun (tekenen) een kubus.
11 Mijn buurjongen (besteden) al zijn geld aan zijn computer.
12 Mijn ouders (verrassen) mij met kaartjes voor de bioscoop.
13 Ik (halen) mijn zusje op bij het zwembad.
14 Fatima (vergissen) zich in de weg naar het gemeentehuis.




2. 15 moterkap

A. Goed

B. Fout




3. 16 zaniken

A. Goed

B. Fout




4. 17 reparatiedoosje

A. Goed

B. Fout




5. filé américain

A. Goed

B. Fout




6. vandelisme

A. Goed

B. Fout




7. piramide

A. Goed

B. Fout




8. motorkap

A. Goed

B. Fout




9. zaneken

A. Goed

B. Fout




10. reperatiedoosje

A. Goed

B. Fout




11. filet américain

A. Goed

B. Fout




12. vandalisme

A. Goed

B. Fout




13. pyramide

A. Goed

B. Fout




14. 18 A in grote getalen
B in grote getale
C in groten getalen

A. Goed

B. Fout

C. Fout




15. A astmapatiënt
B astmapatient
C asmapatiënt

A. Goed

B. Fout

C. Fout




16. A spaghetti
B spagetti
C spagheti

A. Goed

B. Fout

C. Fout




Print de toets uit, zet je naam er boven en je klas





DDD2005