maak de toets; denk aan de 50 seconden per vraag
Naam:
Klas
Datum Cijfer
1. Schrijf het werkwoord op in de verleden tijd.
2. 15 moterkap
A. Goed
B. Fout
3. 16 zaniken
A. Goed
B. Fout
4. 17 reparatiedoosje
A. Goed
B. Fout
5. filé américain
A. Goed
B. Fout
6. vandelisme
A. Goed
B. Fout
7. piramide
A. Goed
B. Fout
8. motorkap
A. Goed
B. Fout
9. zaneken
A. Goed
B. Fout
10. reperatiedoosje
A. Goed
B. Fout
11. filet américain
A. Goed
B. Fout
12. vandalisme
A. Goed
B. Fout
13. pyramide
A. Goed
B. Fout
14. 18 A in grote getalen
A. Goed
B. Fout
C. Fout
15. A astmapatiënt
A. Goed
B. Fout
C. Fout
16. A spaghetti
A. Goed
B. Fout
C. Fout
Print de toets uit, zet je naam er boven en je klas
1 De kinderen het hele eind naar school.
2 De treinreizigers (zwaaien) naar hun familieleden op het perron.
3 De leerlingen (zuchten) toen zij het proefwerk onder ogen kregen.
4 Paul (missen) op een haar na zijn bus.
5 Het (misten) de hele avond.
6 De bal (raken) de doelpaal.
7 Wij (lachen) om de malle fratsen van het kleine aapje.
8 De familie Esmer (verhuizen) naar Amsterdam.
9 De criminelen (beroven) het benzinestation.
10 Mimoun (tekenen) een kubus.
11 Mijn buurjongen (besteden) al zijn geld aan zijn computer.
12 Mijn ouders (verrassen) mij met kaartjes voor de bioscoop.
13 Ik (halen) mijn zusje op bij het zwembad.
14 Fatima (vergissen) zich in de weg naar het gemeentehuis.
B in grote getale
C in groten getalen
B astmapatient
C asmapatiënt
B spagetti
C spagheti