Leestekens

In deze zinnen ontbreken de leestekens. Weet jij welke?

Aan het eind van elke zin zet je een punt.
Voorbeeld:
Jan fietst naar school.


Punten gebruik je ook tussen de letters van afkortingen.
Voorbeeld:
d.w.z. (dat wil zeggen) t.e.a.b. (tegen elke aannemelijk bod)


Een komma is een leesteken die je in een zin gebruikt. Je gebruikt een komma om even een korte pauze aan te kondigen.
Je zet altijd een komma in de volgende gevallen:
tussen twee verschillende werkwoorden (Vanmorgen heb ik naar school gelopen, fietsen doe ik morgen weer) onder andere voor de woorden want, maar, omdat (Mijn zusje gaat niet mee, omdat ze ziek op bed ligt)

De dubbelepunt is een leesteken dat midden in een zin gebruikt kan worden.
Bijvoorbeeld wanneer er iets uitgelegd wordt.
Voorbeeld:
"Ik ga niet: ik heb wat beters te doen"


In gevallen als de volgende gebruik je ook een dubbelepunt:
Hans zei: 'ga maar zonder mij, ik moet werken'

Een zin eindigt met een uitroepteken wanneer je de zin op een verbaasde of opgewonden manier uitspreekt.
Voorbeeld:
Wat een prachtige schoenen!
Kijk uit wat je doet!


Je zet een vraagteken aan het eind van de zin, wanneer je de zin op een vraagtoon uitspreekt.
Voorbeeld:
Ga je morgen mee naar de film?